Een combinatieklas met 40 leerlingen

Gepubliceerd op 6 januari 2023

Woensdag 3 januari 1973: de eerste schooldag na de kerstvakantie. Dit keer een kortere vakantie: geen twee weken, maar anderhalve week. Dat de school op woensdag van start ging was zeker welkom, herinner ik mij nog, want ik startte nu immers met een combinatieklas 4+5 met 40 leerlingen.  

De vijfde klassers waren al gewend om gecombineerd te zitten. Immers tot de kerstvakantie zaten zij samen met klas 6 bij schoolhoofd Gerard Nijman, in totaal 42 leerlingen. Maar, zoals bekend, de inspectie ging niet akkoord met de combinatie 5+6, zodat dit vanaf de kerstvakantie anders opgelost moest worden. De vijfde kwam daarom bij mij, samen met de vierde die ik al had, in totaal 40 leerlingen. En omdat we op 1 januari nóg eens met één leerkracht minder verder moesten, kwam de derde samen te zitten met de tweede klas, samen 43 leerlingen. Nu waren alleen klas 1 en 6 nog apart.

Uiteraard had ik me goed voorbereid op de nieuwe situatie die zowel voor mijn collega Tieke als mij een forse verzwaring inhield. Niet zo zeer vanwege het aantal leerlingen, alswel dat je aan twee verschillende leerjaren tegelijkertijd les moest geven. Ik had al een redelijke 'afkijk-ervaring' bij collega Tieke met haar combinatie 2+3 in de eerste helft van 1972 en bij schoolhoofd Nijman in de tweede helft van 1972. Over de te hanteren principes voor het draaien van een combinatieklas waren we het in ieder geval unaniem eens.

 

Klas 4 (boven) en klas 5 (onder) die vanaf januari 1973 als combinatieklas bij elkaar kwamen.

 

Zebra-opstelling

De basis voor het goed draaien van twee klassen door één leerkracht in één lokaal lag in een goede plaatsing van de leerlingen. Dat hield in dat je in ieder geval niet de ene klas links en de andere rechts in je lokaal moest plaatsen. Dan liep je gevaar dat je bij het lesgeven aan de ene klas het zicht op de andere klas kwijt kon raken. De ideale opstelling was volgens de 'zebramethode'. Dat wil zeggen dat naast elke vierdeklasser een vijfdeklasser moest zitten. Ongeacht aan welke klas je op dat moment les gaf, had je dan toch een overzicht van de totale combinatieklas. En uiteraard maakte ik vooraf een plattegrond met de namen van de leerlingen. Want wie wáár en náást wie kwam te zitten was, net zoals in een enkele klas, belangrijk voor het handhaven van de orde!

Mijn lokaal telde 4 rijen van 5 vaste schoolbanken waarin 2 leerlingen naast elkaar zaten. In de twee buitenste rijen had ik nog een extra bank weten toe te voegen, zodat er in totaal 44 zitplaatsen waren. Op deze wijze bleven er 4 plekken onbezet voor dié leerlingen voor wie het beter was dat zij alléén in een bank zaten. En omdat de 2 middelste rijen dus iets korter waren kon mijn lessenaar, zoals die toen nog heette, precies in het midden komen te staan op... jawel, het oude podium waarop ik mijn eerste schooldag anderhalf jaar terug begon. Omdat al deze ouderwetse schoolbanken op houten klossen stonden en daardoor dus hoger waren, was het noodzakelijk om als leerkracht óók hoger te zitten om zodoende alle leerlingen te kunnen zien. 

Dubbel lesrooster

Behalve de ideale opstelling van de leerlingen was het succes van een combinatieklas vooral sterk afhankelijk van het lesrooster. Van beide klassen moesten de lesroosters - zeg maar - waterdicht op elkaar worden afgestemd en... diende je je er heel strak aan te houden. Zo niet, dan betekende dit dat de schaarse instructietijd aan beide groepen tekort zou schieten, wat uiteindelijk een aanslag zou zijn op het resultaat van je onderwijs. Het principe voor het lesrooster was dat je bij de instructie aan de ene klas zelfstandig werk toepaste in de andere klas, en omgekeerd. Nadeel van deze strakke planning was dat er nauwelijks tijd was voor extra hulp aan individuele leerlingen. Als leerkracht van een dubbelklas had je geen moment zonder instructie, zoals bij een enkele klas. Het was dus voor de leerlingen nooit stil in het leslokaal, omdat de leerkracht dan weer les gaf aan de andere klas. En voor de leerkracht betekende dit dat-ie de hele dag continu lesgevend bezig was. Correctiewerk of een leerling apart bijstaan tijdens de reguliere schooltijd kon dus niet meer. Zeker het correctiewerk moest volledig na schooltijd gebeuren, en vaak ook de individuele hulp. Niet voor niets was een combinatieklas in die tijd daarom bij de meeste leerkrachten verre van populair, omdat deze je als leerkracht in een dwangbuis dwong die nodig was om de situatie te kunnen overleven...

Gedegen voorbereiden

De strakke organisatie die een combinatieklas vereiste betekende tevens dat ik me elke avond, naast het correctiewerk van 40 leerlingen, gedegen moest voorbereiden op de volgende dag. De planning voor morgen schreef ik daarom dagelijks in mijn agenda in twee kolommen: links klas 4, rechts klas 5. Nóg meer dan bij een enkele klas moest je op alles voorbereid zijn om de schooldag gladjes te laten verlopen. 

Gelukkig werden mijn collega Tieke en ik vrijgesteld van het overblijftoezicht. We hadden onze middagpauze van 12.00 tot 13.30 uur hard nodig om even op adem te komen en de lessen voor de middag voor te bereiden. Bovendien gaf ik zelf nog Engels aan klas 5 en 6 op dinsdag en donderdag tussen 1 uur en half 2. En 's morgens vóór schooltijd was daar nog twee keer per week het toezicht op de klaarovers. Ook van de begeleiding van stagiaires van de Pedagogische Academie werden wij verlost. En dat was niet alleen om onze eigen werkdruk te verminderen, maar in eerste instantie om de stagiaires tijdens hun oefenlessen niet te belasten met het toezicht op de extra klas die er als 'ballast' bij zat. En ook het koffieapparaat verhuisde vanuit mijn lokaal - terecht - naar klas 6 van het schoolhoofd. 

Een kijkje elders

Omdat klassikaal onderwijs in die tijd dé organisatievorm was, waren er (nog) geen andere werkwijzen voor combinatieklassen beschikbaar. Overleg met andere scholen die in eenzelfde situatie verkeerden, bestond nog niet. Slechts één keer kwam ik een jaar later hierover in contact met een onderwijzeres bij een bezoek aan de St. Leoschool in de Cornelis Dirkszstraat. Daar gaf ene Zuster Lidewijn les aan klas 2 totdat ook op haar school een collega wegens terugloop met ontslag moest. Dat betekende dat zij klas 1 erbij kreeg. Wat trof ik daar aan? Beide klassen bleven gewoon in hun eigen lokaal zitten. De juf zette de tussendeur open en gaf aldus les aan twee verschillende naast elkaar gelegen klassen. Zij zag dat mijn mond van verbazing open viel toen ik haar vroeg hoe zij dan zicht kon houden op haar beide klassen. Het waren haar aanpak en natuurlijk overwicht die maakten dat de kinderen in de ene klas gewoon rustig doorwerkten als zij in de andere klas lesgaf, zonder dat zij daarvoor steeds in de smalle tussendeuropening hoefde te staan. Zoals haar naam, Zuster Lidewijn, al duidelijk maakt, was zij een non, inmiddels rond de 50, met een opmerkelijk groot enthousiasme, liefde en geduld voor haar vak. Ook zij bleek kort ervoor met de inspecteur te maken hebben gehad die haar werkwijze van twee klassen met de open tussendeur afkeurde, totdat zij hem duidelijk kon maken dat haar 45 kinderen met hun losse moderne tafeltjes en stoelen nooit in één lokaal zouden passen. Mij werd duidelijk dat deze vrij unieke situatie zeker niet voor elke combinatieleerkracht was weggelegd...

Na 50 jaar

Nu na 50 jaar terugkijkend op mijn tweede werkzame jaar in het onderwijs stel ik vast dat wat volgens de regels van toen heel normaal en gebruikelijk was nu écht niet meer kan: veertig leerlingen van twee leerjaren onder één leerkracht in één lokaal. Als nú combinatiegroepen voorkomen - vaak op kleine scholen - zijn zij veel kleiner en zijn er allerlei eigentijdse organisatievormen die nu worden toegepast. Een verschil in werkdruk tussen leerkrachten met en zonder combinatieklas zoals destijds zou nu niet meer gepikt worden. Dat geldt ook voor de ouders die bij een combiklas van 40 nu in opstand zouden komen. En dan hebben we het nog niet eens over alle individuele aandacht die de leerlingen van nu vragen en al hun afzonderlijke handelingsplannen waar 50 jaar geleden geen sprake van was...